Energiehandvestverdrag

Het Energiehandvestverdrag, dat in 1994 werd ondertekend, bevordert de energiezekerheid via open en concurrerende energiemarkten. Tot op heden hebben tweeënvijftig staten, alsmede de Europese Unie en Euratom, het verdrag ondertekend.

Het Verdrag verklaart dat elke deelnemende staat “stabiele, onpartijdige, bevorderlijke en transparante voorwaarden voor beleggers [moet] aanmoedigen en creëren”. Het biedt expliciet bescherming tegen onrechtmatige onteigening: investeringen mogen niet worden genationaliseerd of onteigend, tenzij een dergelijke maatregel in het publieke belang, niet-discriminerend en rechtmatig is en naar behoren wordt gecompenseerd.

Als een oorspronkelijke verdragsluitende partij propageerde de Russische Federatie de voorlopige toepassing van het Verdrag: het Verdrag zou na ondertekening direct in werking moeten treden, zodat deelnemende staten hun verplichtingen snel op zich zouden nemen. De Russische Federatie heeft voorlopige toepassing van verdragen lang gerespecteerd en is vandaag de dag gebonden aan meer dan 30 internationale verdragen die een dergelijke clausule bevatten.

De Russische Federatie heeft ten aanzien van het Energiehandvestverdrag geen beroep gedaan op haar recht, zoals beschreven in artikel 45, om zichzelf niet in staat of onwillig tot acceptatie van de voorlopige toepassing ervan te verklaren. Deze mogelijkheid werd geboden aan elk land dat twijfelde aan het Verdrag of aan de voorlopige toepassing ervan, maar Rusland besloot om er geen gebruik van te maken. Integendeel: in 1996 stelde de Russische overheid in de memorie van toelichting bij de ratificatie van het Verdrag:

• “De bepalingen in het [Verdrag] zijn consistent met Russische wetgeving.” • ‘Het juridische stelsel voor buitenlandse investeringen dat in het [Verdrag] wordt voorzien, is consistent met de bepalingen van de bestaande Wet inzake buitenlandse investeringen in [Rusland], alsook met de gewijzigde versie van de wet die momenteel in de Staatsdoema ter bespreking ligt.’

Het Energiehandvestverdrag voorziet in onafhankelijke, internationale arbitrage. Het stelt dat elk arbitraal vonnis “definitief en bindend voor de partijen in het geschil” zullen zijn. Het Verdrag biedt de juridische basis voor de arbitrageprocedure die in 2005 door de dochterondernemingen van GML werd gestart.

Schrijf je hier in voor nieuwsupdates